
Ik ben maar een klein hondje uit Griekenland (Zakynthos) van 4 jaar oud, maar ik heb een gróót karakter. Dat kun je wel zien op mijn HOMEMOVIE 😉
Dat komt, volgens mijn moeder, die 5 is, omdat wij wij Kokoni-bloed hebben. Kokoni’s zijn kleine gezelschapshondjes in Griekenland, die veel met kinderen en vrouwen optrekken,maar ook best kunnen jagen en verdedigen. We zijn vrolijk van aard en niet bang aangelegd.
Ik weet niet zo veel meer van die eerste tijd, maar heel leuk was het niet altijd. Er warenmensen die niet lief voor ons waren en we leefden op straat, denk ik. Het was een levenwaarin je nooit wist wat je te wachten stond, harde geluiden, snel rijdende auto’s,schreeuwende mensen en maar kijken waar je je volgende maaltijd vandaan haalde. Hoewel ik best dapper ben, vind k dat harde geluiden nog steeds eng.
Nou ja, veel van jullie kennen dat wel. Ik hoef er niet veel over te zeggen.
Gelukkig werden mijn moeder en ik gevonden door een mevrouw die ons naar een gastgezin bracht, waar een oudere meneer voor ons zorgde. Hij was wél heel lief en maakte dat we ons veel beter voelden, genoeg te eten kregen en niet meer hoefden te schrikken van onverwachte dingen. We vonden dat we het goed getroffen hadden, samen met de andere
honden die daar woonden. Het viel ons na een tijdje op dat er soms honden opeens weg waren nadat er een speciale mevrouw daar was geweest. En dan kwamen er weer nieuwe honden bij. Die moesten dan, net als wij, even kennis maken met de roedel en hun draai vinden. Dat ging wel goed, meestal, dus we zijn eigenlijk best sociale hondjes geworden, we
begrijpen en spreken de hondentaal goed. Dat is wel handig maar met mensen heb je er niet zo veel aan want die snappen er soms helemaal niets van, maar daarover later.
Na een tijdje kwam de speciale mevrouw ook naar ons kijken, ze ging met ons praten, enaaien en met de oude meneer overleggen. Ze keek veel naar ons. We moesten naar de dierenarts die ons onderzocht om te kijken of we gezond waren. We kregen prikken en pillen, omdat we een ziekte hadden die erger zou worden als we die pillen niet kregen. Echt lekker zijn de pillen niet dus we wilden ze niet opeten. Dan verstopte de oude meneer ze in
ons eten, maar dat hadden we vaak door en dan spuugden we ze weer uit. Als hij dan eens boos werd, aten we ze toch maar op.
Snel na het bezoek aan de dierenarts werden we op een dag in kleine hokjes gestopt, mijn moeder en ik gelukkig samen, en in een auto geladen. Het was erg spannend allemaal want we hadden geen idee wat er ging gebeuren. We kwamen toen op het vliegveld, gingen in hokjes en na een paar uur werden we weer uit het vliegtuig gehaald. Het was daar best
koud, vonden we. Tenslotte werden we uit de auto gelaten en gingen we een huis binnen. Dat weet ik nu, dat het een huis is, maar ik had er nog nooit eentje echt goed van binnen gezien. In Griekenland in het asiel woonden we buiten onder afdakjes en in grote ruimtes. Het gekste vond ik dat het overal heel anders rook dan in het asiel en op straat. Rare luchtjes maar ook hondenluchtjes. En eten. Dat laatste was in ieder geval goed. Er zaten inderdaad ook andere honden in dat huis, met allemaal een eigen mandje met dekentjes. Weer was daar het ritueel van kennismaken maar dat hadden we al goed onder de knie. Dus werden we deel van het roedeltje.. De mensen in het huis begrepen best wat we allemaal meegemaakt hadden dus ze lieten ons een beetje met rust de eerste tijd. De andere honden deden dat ook. Mijn moeder is wat meer timide dan ik, dus ik stond een
beetje hoger op de ladder na een tijdje.
We hadden al veel eerder geleerd dat je met mensen maar het beste heel schattig kon doen, dus veel kwispelen, lief kijken, aan hun gezicht likken en op je rug gaan liggen en je buik laten zien. Eigenlijk net zoals je als puppy deed als je grote dominante honden tegenkwam, die werden dan ook aardig. Met mensen werkte dat heel vaak ook zo. Dan gingen ze ons aaien en knuffelen. En dat was natuurlijk fijn, beter dan een schop of klap of een harde schreeuw. Maar in ons nieuwe huis deden ze al die lelijke dingen helemaal niet. Ze aaiden ons en kletsten tegen ons, lieten ons uit en maakten ons een beetje bekend met onze nieuwe koude omgeving. En we kregen nog steeds onze pilletjes en lekker eten. Na een tijd kwam de
speciale mevrouw weer langs en keek veel naar mijn moeder en mij. En een paar dagen later werd ik weer in een hokje gestopt maar nu alleen. En ging ik weer in de auto rijden. Dat was schrikken. Bij mijn moeder weg, weer bij mijn roedeltje weg en weer bij lieve mensen weg. Ik was erg treurig, hoewel ik best een vrolijke natuur heb. Ik begreep het ook niet want ik was niet stout geweest, had lief gedaan (nou ja niet altijd naar mijn moeder de laatste tijd) en had ook niet in huis geplast of zo.
Ik kreeg weer een nieuw huis met wel acht andere honden, en vier mensen. De honden vonden het okay dat ik kwam en ik maakte meteen duidelijk dat ik niet zat te wachten op gesol met mij. Er was een grote hond die heel veel energie had en nog een puber was, zodat hij steeds wilde spelen. Daar had ik geen zin in, dus dan snauwde ik dat hij weg moest gaan.
Dat snapte hij natuurlijk maar vond het moeilijk om te onthouden. Ik miste mijn moeder wel in het begin maar dat ging over want de mevrouw van dit huis vond me erg leuk, en wilde graag met me knuffelen als ik dat vroeg. Ik hou ook ontzettend van knuffelen en op de bank bij een mens zitten. Ook in dit huis werden we als honden goed verzorgd en uitgelaten. Het was er wel heel vol en er was eigenlijk altijd wel wat, want als de een lekker lag te slapen, kreeg de ander opeens de kolder in z’n kop. En dan waren er de hondjes, jong nog, die nog echt wel bang waren, omdat ze heel veel dingen alleen hadden moeten meemaken en misschien wel een veel harder leven hadden gehad dan ik. Ze waren niet bang voor de andere honden maar wel voor nieuwe mensen. En daar kwamen er best veel van langs. En
soms ging er dan een hondje mee met zo’n nieuw mens. Ik vroeg me af waarom dat was. Ze kwamen ook niet terug. De mevrouw van het huis was dan even treurig maar daarna hadden wij haar weer nodig en dan werd ze weer vrolijk. Eigenlijk vond ik het daar best fijn, het was veilig en vertrouwd, ik mocht knuffelen en kon buiten lekker veel ruiken. Dat vind ik ook erg
leuk, naar buiten gaan om te ruiken wat daar gebeurd is, welke honden er zijn geweest, of ik die ken of niet, of ik ze wil leren kennen (sommige zeker niet) en wanneer ze er waren. Het is belangrijk om je omgeving goed te kennen.
Maar ja, toen kwamen er mensen naar mij kijken. Twee mevrouwen zaten er opeens op de bank. Ik ging gauw proberen of ze ook wilden knuffelen. Dat wilden ze wel, maar niet zo lang. Dat was jammer. Ik liet me echt van mijn beste kant zien, rolde op mijn rug, likte aan hun gezicht en probeerde met mijn pootje nog meer knuffels te ontlokken. De ene mevrouw moest lachen en de andere mevrouw vond dat ik ermee moest ophouden. Nou ja, mijn beste optreden! Dus was ik verbaasd dat die laatste mevrouw een weekje later weer terug was. Nu wilde ze veel meer knuffelen, zei dat ik lief was en een knap hondje. Dat hoor ik graag natuurlijk want omdat mijn oortjes niet helemaal gaaf zijn, ben ik best een beetje onzeker op dat punt. En toen kreeg ik mijn tuigje om en gingen mijn huismevrouw en de nieuwe mevrouw naar
een auto die ik niet kende. Daar werd ik ingezet, op de achterbank, met een speciale band zodat ik niet zomaar uit de auto zou kunnen springen. Na een stuk rijden kwamen we in een nieuwe omgeving, weer allemaal nieuwe luchtjes. Ik vond het wel verwarrend. In de auto had de nieuwe mevrouw met me gepraat, met een lieve stem, maar ik begreep er niets van
natuurlijk. Ik kwispelde maar wat terug. Dat vind ze leuk. We gingen een huis binnen waar ik opnieuw een roedeltje verwachtte. Helemaal niets. Geen
enkele andere hond, hoogstens vage luchtjes van een oude hond en van een kat. Dat was erg raar. Geen roedeltje. Daar werd ik wel onzeker van. Maar de nieuwe mevrouw ging lief tegen mij praten, gaf me een knaagje (erg lekker) en ging op de bank zitten. Ze vroeg me om er ook op te komen. Dat heb ik toen voorzichtig gedaan, want je weet maar nooit. Maar toen
ik ging kwispelen en likken mocht dat nu wel, even aan haar neus. En ze begon te lachen omdat ik zo enthousiast was. Ze legde uit dat wij nu samen een roedeltje waren. Dat ik eerst een beetje mocht wennen aan de nieuwe onbekende situatie en dat we daarna steeds meer leuke dingen gingen doen. En toen viel ik in slaap want ik was ontzettend moe van al die
nieuwe luchtjes en dat gekke lege huis en de autorit.
O ja, nog even over die naam, Koosje. Ik heet eigenlijk Lady, daar luisterde ik naar. Mensen vinden het belangrijk dat je als hond een naam hebt. Wij honden doen daar niet aan, je bent gewoon die witte, of die grote of die met de manke poot. En vooral ben je hoe je ruikt. Mensen ruiken nooit, ja, wel eens op je kop of zo, maar niet waar je echt moet zijn voor de
juiste geur. Stom, maar dat is zo. Ze doen dus aan namen. Mijn mevrouw, of mens, (ik noem ze nooit baas, ik ben mijn eigen baas) had iets tegen de naam Lady en ging me Koosje noemen. In het begin begreep ik niet
dat die klank voor mij bedoeld was, maar de toon was altijd wel uitnodigend, dus toen ben ik me maar gaan aanpassen en nu kijk ik op als die naam genoemd wordt. Ik vind dat behoorlijk slim van mijzelf. En zo was er heel veel dat ik in dit nieuwe huis moest leren maar dat vertel ik later.


